Hier is een voorbeeld om een Tunnel uit te leggen. We nemen een auto. De auto is vuil. Je rijdt met je auto door de wasstraat. De wasstraat is een Tunnel.
In de wasstraat wordt de auto anders gewisseld. De auto ondergaat een anders gewisseld in de Tunnel in de wasstraat.
De auto wordt gewassen. De auto komt schoon uit de wasstraat. De auto komt schoon uit de Tunnel.
Dit is een geweldig voorbeeld van een Tunnel. Door een Tunnel loopt, verander je een toestand.